Gemeentebelasting voor niet-inwoners: komt er een einde aan de vaste 7%?

Voor Belgische rijksinwoners worden gemeentelijke opcentiemen geheven als toeslag op de personenbelasting. Het toepasselijke tarief wordt bepaald door de gemeente waar de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar gedomicilieerd is. Dat tarief verschilt van gemeente tot gemeente.
Voor niet-inwoners ligt dat anders. Wie bijvoorbeeld in Nederland woont maar in België belastbare beroepsinkomsten ontvangt, heeft hier geen fiscaal domicilie waaraan een gemeentelijk tarief kan worden gekoppeld. Daarom wordt in de belasting van niet-inwoners vandaag een forfaitaire verhoging van 7% toegepast.
Die regeling heeft de voorbije periode echter onder druk gestaan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat de Belgische regeling strijdig kan zijn met het vrije verkeer van werknemers wanneer die vaste 7% ertoe leidt dat een niet-inwoner zwaarder wordt belast dan een vergelijkbare Belgische rijksinwoner.
De Belgische regering geeft nu gevolg aan die rechtspraak. De ministerraad keurde inmiddels een voorontwerp goed dat niet-inwoners de mogelijkheid zou geven om aan te tonen dat zij voor de toepassing van de gemeentebelasting moeten worden gelokaliseerd in een Belgische gemeente waar een tarief van minder dan 7% geldt.
Waarom ligt die forfaitaire 7% onder vuur?
De forfaitaire verhoging voor niet-inwoners werd ingevoerd vanuit het principe dat ook zij bijdragen aan de financiering van Belgische taken en voorzieningen van algemeen belang. Hoewel zij niet in België wonen, maken zij door hun economische activiteit immers eveneens gebruik van onder meer infrastructuur en andere publieke diensten.
Omdat een niet-inwoner geen Belgische fiscale woonplaats heeft, kan niet eenvoudigweg het tarief van zijn of haar woonplaats worden toegepast. De wetgever koos daarom voor een forfaitair tarief van 7%.
Net die forfaitaire benadering vormde het voorwerp van een procedure voor het Hof van Justitie. Sommige Belgische gemeenten hanteren immers een gemeentebelasting die lager ligt dan 7%. In bepaalde gevallen kan een niet-inwoner daardoor zwaarder worden belast dan iemand die wel in België woont, maar verder in een vergelijkbare situatie verkeert.
Het Hof erkende dat het streven naar een gelijke bijdrage van inwoners en niet-inwoners op zich een legitieme doelstelling kan zijn. Een vaste verhoging van 7% gaat volgens het Hof echter verder dan noodzakelijk wanneer die in de praktijk tot een hogere belastingdruk voor de niet-inwoner leidt. In dat geval kan de regeling een ongeoorloofde beperking vormen van het vrije verkeer van werknemers.
Belgische regering komt met een antwoord
Toen we deze problematiek eerder bespraken, was nog niet duidelijk hoe de Belgische wetgever of fiscus op die Europese rechtspraak zou reageren. Daar lijkt nu verandering in te komen.
De ministerraad keurde een voorontwerp goed dat niet-inwoners de mogelijkheid zou geven om aan te tonen dat zij kunnen worden gelokaliseerd in een Belgische gemeente die een gemeentebelasting van minder dan 7% hanteert. Volgens de toelichting bij het voorstel wil men op die manier rekening kunnen houden met situaties waarin een lager gemeentelijk tarief van toepassing zou zijn.
Indien het voorstel wordt aangenomen, lijkt dit potentieel te kunnen leiden tot een correctie van het verschil tussen de forfaitair toegepaste 7% en het gemeentelijke tarief van de gemeente waarin de belastingplichtige kan worden gelokaliseerd.
De forfaitaire 7% zou dus niet noodzakelijk volledig verdwijnen. Wel zou er een mogelijkheid ontstaan om van dat tarief af te wijken wanneer de niet-inwoner kan aantonen dat een lager gemeentelijk tarief relevant is voor zijn of haar situatie.
Ook voor het verleden is deze discussie relevant. Niet-inwoners die de forfaitaire 7% betaalden, kunnen op basis van de Europese rechtspraak mogelijk een gedeeltelijke terugbetaling vragen voor eerdere aanslagen. Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de toepasselijke voorwaarden en termijnen.
Hoe groot wordt de praktische impact?
De vraag is uiteraard hoeveel niet-inwoners in de praktijk van de nieuwe regeling gebruik zullen kunnen maken. Minder dan 20% van de Belgische gemeenten hanteert vandaag immers een gemeentebelasting van minder dan 7%.
Voor niet-inwoners die aan een gemeente met een tarief van 7% of meer worden gekoppeld, lijkt de voorgestelde wijziging op het eerste gezicht dan ook weinig of geen verschil te maken. Voor wie kan worden gelokaliseerd in een gemeente met een lager tarief, kan de financiële impact daarentegen wel relevant zijn.
Cruciale vraag: waar wordt een niet-inwoner gelokaliseerd?
Net daar blijft voorlopig een belangrijke vraag onbeantwoord. De belasting van niet-inwoners omvat immers zeer uiteenlopende situaties. Denk aan werknemers die tijdelijk in België verblijven, maar evengoed aan grensarbeiders die in Nederland, Frankrijk, Duitsland of Luxemburg wonen en dagelijks naar een Belgische werkplek pendelen.
Welke Belgische gemeente moet in die gevallen als referentiepunt dienen? Wordt gekeken naar de plaats van tewerkstelling, de vestiging van de werkgever, de plaats waar de beroepsactiviteit hoofdzakelijk wordt uitgeoefend of naar andere aanknopingspunten?
Ook is nog niet duidelijk welke bewijsstukken een niet-inwoner zal moeten voorleggen om een bepaalde lokalisatie aan te tonen en hoe de procedure praktisch zal verlopen.
Het voorontwerp vormt daarmee een belangrijk vervolg op de Europese rechtspraak over de Belgische gemeentebelasting voor niet-inwoners. De regering zet een eerste stap om tegemoet te komen aan de kritiek op het forfaitaire tarief van 7%, maar de concrete draagwijdte zal afhangen van de definitieve wetgeving en vooral van de regels waarmee niet-inwoners aan een Belgische gemeente zullen worden gekoppeld.
We volgen de verdere uitwerking dan ook op de voet.