Terug naar overzicht
13.05.2026
#Internationale fiscale diensten
#Internationale mobiliteit

Gemeentebelasting zonder grenzen: België en grensoverschrijdende inkomens

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het vakblad Grensoverschrijdend Werken.

Woont of werkt u in België? Dan bent u wellicht onderworpen aan de Belgische gemeentebelasting. Deze Belgische belasting heeft recent opnieuw stof doen opwaaien. Inwoners van België met in Nederland belastbare beroepsinkomsten zijn in België onderworpen aan een aanvullende gemeentebelasting met betrekking tot deze Nederlandse inkomsten. Deze Belgische regelgeving werd recent voor een Nederlandse rechtbank aangevochten door een Belgische belastingplichtige met als doel deze aanvullende gemeentebelasting te vermijden.
Daarnaast heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan over de toepassing van gemeentebelasting in de omgekeerde situatie, namelijk bij niet‑inwoners van België met Belgische belastbare inkomsten. In deze uitspraak plaatst het Hof kritische kanttekeningen bij de verenigbaarheid van de Belgische fiscale regelgeving met het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Voor inwoners van Nederland die Belgische beroepsinkomsten ontvangen, kan deze rechtspraak aanleiding geven tot een (gedeeltelijke) terugbetaling van reeds geheven gemeentebelasting.
Hieronder herinneren we u graag aan de fiscale principes die in beide richtingen van grensarbeid van toepassing zijn, en gaan we dieper in op de gevolgen van de recente rechtspraak.

 

In een notendop

  • Belgische inwoners met Nederlandse beroepsinkomsten blijven onderworpen aan de Belgische aanvullende gemeentebelasting; rechtspraak bevestigt dit stelsel.
  • Niet‑inwoners met Belgische beroepsinkomsten van een Belgische werkgever kunnen door recente Europese rechtspraak mogelijk te veel betaalde gemeentebelasting terugvorderen, afhankelijk van hun situatie en het standpunt van de Belgische fiscus.

Belgische inwoners met Nederlandse beroepsinkomsten

Historisch werden beroepsinkomsten van grensarbeiders uitsluitend belast in hun woonstaat. Een Belgische inwoner die in Nederland werkte, betaalde daarom enkel Belgische personenbelasting over deze Nederlandse inkomsten. Naast deze personenbelasting was ook gemeentebelasting verschuldigd, waardoor Belgische grensgemeenten met veel grensarbeiders aanzienlijke inkomsten verkregen.

Dit veranderde in 2001 met het nieuwe Belgisch-Nederlandse Dubbelbelastingverdrag. Het nieuwe verdrag bepaalt dat beroepsinkomsten van grensarbeiders voortaan enkel belastbaar zijn in de werkstaat. Dit betekent dat Belgische inwoners die in Nederland werken geen Belgische personenbelasting meer verschuldigd zijn over deze inkomsten. Voor Belgische grensgemeenten betekende dit tot een aanzienlijk verlies aan inkomsten.

Om dit verlies te compenseren, werd in het protocol bij het verdrag een bijzondere bepaling toegevoegd. Op basis van deze bepaling mag België toch aanvullende gemeentebelasting heffen op inkomsten die zijn vrijgesteld van Belgische personenbelasting. Belgische rijksinwoners moeten deze buitenlandse beroepsinkomsten opnemen in hun Belgische aangifte personenbelasting en om een vrijstelling verzoeken. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de gemeentebelasting die ook wordt geheven op Nederlandse beroepsinkomsten.

Hoewel deze regelgeving vaker het onderwerp is geweest van kritiek wegens vermeende dubbele belasting en discriminatie oordeelde het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 5 februari 2009 dat de gemeentebelasting niet strijdig is met het vrije verkeer van werknemers, geen dubbele belasting oplevert en niet discriminerend is.

Ook latere rechtspraak volgt deze lijn consequent. Van zodra het gaat om de aanvullende gemeentebelasting, wordt telkens dezelfde formulering gehanteerd: “België behoudt het recht om alsnog gemeentebelasting te berekenen over deze beroepsinkomsten vrijgesteld met progressievoorbehoud.”

Belgische belastingplichtigen hebben recent geprobeerd om voor een Nederlandse rechter de Belgische gemeentebelasting aan te vechten. Het gerechtshof in ‘s‑Hertogenbosch oordeelde evenwel logischerwijze dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te beslissen over de Belgische gemeentelijke heffing op loon dat in Nederland wordt belast. Wie deze heffing wil betwisten, moet dat dus in België doen.

De conclusie blijft dus in alle zaken hetzelfde en de Belgische gemeentebelasting op in Nederland belastbare beroepsinkomsten houdt stand.

Voor Belgische inwoners die Nederlandse beroepsinkomsten ontvangen, is het van essentieel belang dat deze inkomsten correct worden opgenomen in de Belgische aangifte personenbelasting. Hierdoor kan de gemeentebelasting correct worden berekend en kan de in Nederland betaalde belasting in mindering worden gebracht.

Niet-inwoners met Belgische belastbare inkomsten

De gemeentebelasting is dus een lokale belasting die door Belgische gemeenten wordt geheven ter financiering van hun werking. Elke gemeente heeft de bevoegdheid om zelf het percentage van deze belasting vast te leggen. Belgische rijksinwoners worden onderworpen aan het tarief dat geldt in de gemeente waar zij hun fiscale domicilie hebben. Hierdoor kan het percentage aanzienlijk variëren, afhankelijk van de officiële woonplaats.

Ondanks dat de officiële woonplaats van niet-inwoners niet in België is gelegen, zijn zij onderworpen aan een aanvullende gemeentebelasting. Wanneer u bijvoorbeeld in Nederland woont maar in België werkt voor een Belgische werkgever, wordt u belast tegen een vast tarief van 7%. In bepaalde gevallen kan deze aanvullende belasting leiden tot een hogere belastingdruk dan die voor Belgische rijksinwoners, aangezien talrijke Belgische gemeenten een tarief toepassen dat lager is dan 7%. Het meest in het oog springende voorbeeld is de gemeente Knokke-Heist, waar de gemeentebelasting 0 procent bedraagt.

Deze regeling werd voorgelegd aan het Hof van Justitie vanwege een mogelijke strijdigheid met het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. De Belgische Staat verdedigde haar regelgeving door te stellen dat zij bedoeld is om gelijke behandeling te garanderen tussen inwoners en niet-inwoners. De wetgever wilde voorkomen dat Belgische fiscale inwoners – die wel gemeentebelasting betalen – anders zouden worden behandeld dan niet-inwoners. In dit opzicht moest worden verzekerd dat niet‑inwoners naar evenredigheid bijdragen aan de financiering van taken van algemeen belang. Ook zij profiteren immers van Belgische voorzieningen en diensten zoals infrastructuur, veiligheid, gezondheidszorg en culturele faciliteiten.

Het Hof van Justitie erkende dat gelijke behandeling op zich een legitieme doelstelling kan zijn. Het stelde echter vast dat de huidige regeling in sommige gevallen leidt tot een hogere belastingdruk voor niet-inwoners dan voor Belgische rijksinwoners. In dergelijke situaties is de belastingheffing niet geschikt om het beoogde doel te bereiken en gaat zij verder dan noodzakelijk. Het argument dat hiermee omgekeerde discriminatie van inwoners wordt voorkomen, volstaat niet om beperkingen op het vrije verkeer te rechtvaardigen.

Het Hof concludeerde dat het vrije verkeer van werknemers zich verzet tegen deze vaste gemeentebelasting voor niet-inwoners wanneer deze leidt tot een hogere belastingdruk dan die voor Belgische rijksinwoners.

Let op: Voor inwoners van Nederland met Belgische beroepsinkomsten, die onderworpen zijn aan een vaste gemeentebelasting van 7%, kan de recente rechtspraak van het Hof van Justitie aanleiding geven tot een (gedeeltelijke) terugvordering van deze heffing. De precieze gevolgen van het arrest zijn echter nog niet volledig duidelijk, aangezien we nog wachten op een officieel standpunt van de Belgische fiscus.

In principe is het mogelijk om op basis van het arrest een rechtzetting te vragen voor aanslagen die in de afgelopen vijf jaar zijn gevestigd. Toch adviseren wij om hiervoor nog geen stappen te ondernemen totdat de fiscus haar standpunt heeft bekendgemaakt. Op die manier wordt vermeden dat een verzoek tot rechtzetting wordt afgewezen en u vervolgens naar de rechtbank moet om alsnog een teruggave te bekomen.

Indien de fiscus geen standpunt inneemt vóór het einde van het jaar, is het wel aangewezen om alvast een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen. Dit voorkomt dat de indieningstermijn voor een bepaald aanslagjaar verloopt door te lang te wachten.

© Van Havermaet International 2026