Terug naar overzicht
23.06.2026

Hof van Justitie verduidelijkt btw-behandeling van transfer pricing-verrekeningen

De bredere discussie over de verhouding tussen Transfer Pricing (TP) en btw speelt al een langere tijd. Daar waar TP kijkt naar (een marktconforme) winsttoerekening op groepsniveau, kijkt btw naar individuele transacties. Die verschillende invalshoeken leiden in de praktijk tot frictie.

Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-726/23 (Arcomet Towercranes) uitspraak gedaan. Centraal stond de vraag of TP-verrekeningen beschouwd moeten worden als een vergoeding voor btw-belastbare diensten en dus onder toepassing van btw vallen.

Het is met name zo dat verrekeningen tussen groepsvennootschappen btw-gevolgen hebben zodra er een rechtstreeks verband bestaat tussen een TP-vergoeding en daadwerkelijk geleverde goederen of diensten.

De feiten

Arcomet Towercranes SRL (Arcomet RO), de Roemeense dochter van de Belgische Arcomet Service NV (Arcomet BE), maakte voor de jaren 2011-2014 onderdeel uit van een belastingcontrole. Het twistpunt: drie facturen die uitgereikt werden n.a.v. een TP-studie om de winstmarges binnen de groep af te stemmen op de OESO-richtlijnen.

Aanvankelijk had Arcomet BE deze facturen in België aangegeven als intracommunautaire leveringen van goederen, later gecorrigeerd naar intracommunautaire diensten. Arcomet RO paste de verleggingsregeling toe op haar eerste twee uitgaande facturen, terwijl ze van mening was dat de derde factuur buiten het toepassingsgebied van btw viel. Ten gevolge van het verleggingsmechanisme moest Arcomet RO de Roemeense btw voldoen over deze facturen.

De Roemeense belastingdienst weigerde echter voor de eerste twee facturen de btw-aftrek in hoofde van Arcomet RO, ondanks het feit dat de Roemeense btw als verschuldigd werd opgegeven. De Roemeense belastingdienst beschouwde alle facturen als managementdiensten en vroeg bijkomend bewijs dat ze effectief waren verricht en noodzakelijk waren voor de activiteiten van Arcomet RO. Voor de derde factuur volgde de Roemeense belastingdienst dezelfde redenering, waardoor deze toch binnen het toepassingsgebied van btw zou vallen.

De vragen aan het Hof

De Roemeense rechter vraagt het Hof om verduidelijking:

  1. Moeten TP-verrekeningen die winstmarges afstemmen volgens OESO-richtlijnen worden beschouwd als de vergoeding voor een dienstprestatie die aan btw is onderworpen?
  2. Mag de belastingadministratie, naast een factuur, bijkomend bewijs eisen om aan te tonen dat de ingekochte diensten effectief zijn gebruikt in het kader van btw-belastbare activiteiten?

Btw-heffing is mogelijk bij TP-vergoedingen

Het Hof bevestigt dat de door Arcomet BE geleverde diensten, die contractueel waren vastgelegd en waarvan de vergoeding via de TNMM-methode werd berekend, onder het toepassingsgebied van de btw vallen. Het feit dat de vergoeding variabel was, doet daar niets aan af: er bestond volgens het Hof een voldoende rechtstreeks verband tussen de geleverde diensten en de vergoeding. Belangrijk was dat de berekeningsmethode van de vergoeding vooraf contractueel was vastgelegd en dat de betaling niet vrijblijvend of volledig onzeker was.

Voorwaarden voor btw-aftrek

Het Hof bevestigt de principes uit haar eerdere rechtspraak dat voor btw-aftrek zowel formele als materiële voorwaarden gelden.

  • Formeel: een factuur moet in principe voldoen aan de vereisten van de btw-richtlijn, maar kleine gebreken mogen geen reden zijn om aftrek te weigeren zolang de belastingdienst over voldoende informatie beschikt om materiële voorwaarde te beoordelen.
  • Materieel: de belastingplichtige moet aantonen dat er daadwerkelijk diensten zijn geleverd door een andere belastingplichtige én dat deze verband houden met eigen activiteiten die binnen het toepassingsgebied van de btw vallen.

Het Hof bevestigt het principe dat de belastingdienst bijkomend bewijs mag vragen om te beoordelen of de formele en materiële voorwaarden van het recht op aftrek inzake btw vervuld zijn, maar die vraag om bijkomend bewijs moet proportioneel blijven. Belangrijk is dat de btw-aftrek niet zomaar geweigerd mag worden omdat een ingekocht dienst volgens de belastingdienst “niet noodzakelijk” zou zijn voor de eigen activiteiten van de inkopende vennootschap. Zoals vanouds, ligt de bewijslast voor het recht op aftrek inzake btw bij de belastingplichtige die het wilt uitoefenen.

Wat betekent dit voor ondernemingen?

Zodra er effectief diensten binnen een groep worden verricht, kan btw verschuldigd zijn. Voor ondernemingen betekent dit dat zij hun interne werking scherp moeten organiseren. Concreet houdt dit in dat:

  • Intragroepscontracten duidelijk omschrijven welke diensten worden geleverd en hoe de vergoeding wordt bepaald;
  • Facturen voldoende details bevatten, met expliciete verwijzing naar de intragroepscontracten; en
  • Alle bewijsstukken zorgvuldig worden bijgehouden om het reële karakter van de prestaties te staven.

Wat kunt u nu doen?

De uitspraak in de zaak Arcomet Towercranes benadrukt het belang van btw-aspecten in uw Transfer Pricing-beleid. Het Hof bevestigt dat intragroepsdiensten onder het btw-toepassingsgebied kunnen vallen. Voor de btw-aftrek mag de belastingadministratie bijkomend bewijs vragen, maar dat moet wel proportioneel blijven.

De Belgische belastingdienst kijkt steeds kritischer naar intragroepstransacties, en alleen met een sluitende documentatie en goed onderbouwde intragroepstransacties kan uw recht op aftrek gewaarborgd worden.

Wilt u nagaan of uw huidige TP-structuur btw-technisch voldoende is onderbouwd? Of wenst u advies over de btw-behandeling van intragroepstransacties in het licht van deze uitspraak? Onze specialisten bij Van Havermaet staan u graag te woord!

 

 

© Van Havermaet International 2026