Vereenvoudiging of verschuiving? Een kritisch licht op de gewijzigde EU-regels rond sociale zekerheidscoördinatie

Binnen Europa geldt één fundamenteel principe: voor sociale zekerheid kan slechts één lidstaat bevoegd zijn. Verordening 883/2004 bevat de aanwijsregels om in een grensoverschrijdende situatie die ene bevoegde lidstaat aan te duiden.
Het principe lijkt eenvoudig, maar de aanwijsregels zijn dat helaas niet. In de praktijk heeft dat een directe impact op werknemers en werkgevers want een foutieve aansluiting betekent niet alleen bijkomende administratieve lasten, maar kan ook gevolgen hebben voor rechten op uitkeringen, pensioenopbouw en sociale bescherming.
Net daarom is de Europese coördinatie via Verordening 883/04 zo cruciaal. Want zodra die regels wijzigen, raakt dat niet alleen de administratie, maar ook de rechten op uitkeringen en sociale dekking.
En laat dat nu net zijn wat er vandaag op tafel ligt: een voorlopig akkoord van de EU-lidstaten over een herziening van de aanwijsregels in Verordening 883/2004. De boodschap van het nieuwe voorstel en diverse mediaberichten klinkt aantrekkelijk: minder administratie, meer flexibiliteit en een vereenvoudiging van de aanwijsregels. Na jaren onderhandelen zou de hervorming van Verordening 883/04 eindelijk een stap vooruit zijn. Maar vereenvoudiging op papier is niet altijd vereenvoudiging in de praktijk.
Nieuwe werkvormen passen niet altijd binnen de bestaande aanwijsregels
Wie vandaag internationaal actief is, weet dat de realiteit sinds de start van de onderhandelingen in 2016 fundamenteel veranderd is. Klassieke detachering is niet langer de norm. Werknemers combineren steeds vaker activiteiten in meerdere landen, wisselen sneller van werkplaats en bewegen flexibeler tussen statuten.
En net daar wringt de hervorming. De regels rond werken in meerdere lidstaten blijven grotendeels ongewijzigd. Tegelijk worden de klassieke detacheringsregels strenger. Zo wordt het in veel gevallen moeilijker om retroactief een A1-verklaring te bekomen.
Wat theoretisch logisch lijkt, namelijk vanaf dag één correct handelen, botst in de praktijk vaak met een realiteit die per definitie dynamisch en moeilijk voorspelbaar is. De grote achterstand bij de sociale zekerheidsautoriteiten in diverse lidstaten helpt hier ook niet aan.
We zien vandaag al hoe ondernemingen daarop reageren. Wanneer flexibiliteit verdwijnt, verschuift het gedrag. Structuren worden aangepast, activiteiten worden anders georganiseerd en bedrijven zoeken naar manieren om binnen de bestaande kaders toch werkbaar te blijven. Dat is geen misbruik, maar een logisch gevolg van regelgeving die onvoldoende aansluit bij de realiteit.
Wanneer regelgeving gedrag stuurt
Zo ook met de verschuiving in de regels rond werkloosheid. Waar vandaag vaak het woonland verantwoordelijk is, zal in bepaalde gevallen het werkland die rol opnemen. Dat kan op termijn het gedrag van zowel lidstaten als werkgevers beïnvloeden. Sociale zekerheid wordt daarmee niet alleen een kwestie van bescherming, maar ook van financiering en strategische positionering.
Tegelijk biedt het op tafel liggende wijzigingsvoorstel geen antwoord op cruciale interpretatievragen. Neem de toepassing van de 5%-regel in hybride situaties van arbeid en zelfstandige activiteit. Vandaag leiden verschillende interpretaties al tot onzekerheid. Het hervormingsvoorstel brengt daar geen duidelijkheid in en laat daarmee kansen liggen …
Bedrijven die vandaag internationaal werken, zullen nog meer moeten investeren in inzicht, governance en tijdige beslissingen. Niet omdat de regels complexer worden, maar omdat fouten minder gemakkelijk recht te zetten zijn.
En misschien is dat wel de kern van deze hervorming: niet minder regels, maar minder marge.