Nederlandse rechtspraak over Nederlandse pensioenen: gevolgen voor Nederbelgen?

Over de fiscaliteit van Nederlandse pensioenen ontvangen door Belgische rijksinwoners is al heel wat inkt gevloeid. De bepaling van art. 18 van het dubbelbelastingverdrag tussen beide landen is niet altijd de meest eenvoudige lectuur. Recente rechtspraak uit Nederland doet er nog een schepje bovenop.
Beknopte situering
Over het algemeen zijn pensioenen ontvangen uit Nederland in België belastbaar. Dat is de algemene regel. In sommige gevallen heft België hierover echter weinig of geen inkomstenbelasting. Dat was met name in het verleden wat regelmatiger het geval. Inmiddels heeft België haar interne fiscale wetgeving wel aangepast waardoor nog weinig Nederlandse pensioenen aan de hoge Belgische heffingen ontsnappen.
Het dubbelbelastingverdrag tussen België en Nederland wenste tegemoet te komen aan de Nederlandse bezorgdheid dat fiscale vluchtelingen naar België verhuisden om alhier hun Nederlandse pensioen fiscaal goedkoop te ontvangen. Om die reden bevat het verdrag een regeling op basis waarvan Nederland in bepaalde gevallen toch heffingsbevoegd wordt.
Uitzonderingsregel: Nederland heffingsbevoegd
In welke gevallen is Nederland dan heffingsbevoegd over reguliere pensioenen, lijfrenten e.d.? Hiertoe moeten drie voorwaarden cumulatief vervuld zijn.
De eerste voorwaarde houdt in dat bij de opbouw van het pensioen in Nederland fiscale voordelen zijn toegekend in hoofde van de genieter van de latere uitkeringen.
De tweede voorwaarde is dat de inkomsten in België ofwel niet worden belast tegen het algemeen progressief belastingtarief, ofwel dat het brutobedrag van de inkomsten voor minder dan 90 % in de belastingheffing wordt betrokken.
De derde voorwaarde houdt in dat het totale brutobedrag van de inkomsten die in Nederland belastbaar zouden zijn ingevolge deze bepalingen meer bedraagt dan € 25.000.
Discussie over de grens van € 25.000
In een arrest van 13 maart 2026 heeft de Nederlandse Hoge Raad zich uitgesproken over de interpretatie van deze voorwaarden, en met name over de grens van € 25.000.
Deze uitspraak komt erop neer dat hiertoe alle bruto pensioen- en lijfrente-uitkeringen gezamenlijk in aanmerking worden genomen waarvoor in Nederland bij de opbouw een voordeel is genoten door de genieter. Het maakt volgens de Hoge Raad voor de beoordeling van de grens niet uit of de tweede voorwaarde (dat België tegen het volle tarief heft) is voldaan. Als alle uitkeringen gezamenlijk meer dan € 25.000 bedragen, ook al bedragen de laag te belasten pensioenen of lijfrente-uitkeringen minder dan € 25.000, dan is Nederland toch heffingsbevoegd over deze in België laag belaste lijfrente-uitkeringen. Hiermee volgt de Hoge Raad het standpunt van de Nederlandse belastingdienst.
Een eerste beoordeling
De uitspraak van de Nederlandse Hoge Raad gaat in tegen de opvattingen die hierover in België gelden. Eerlijk gezegd begrijp ik met mijn Belgische bril ook niet goed hoe de Hoge Raad tot haar besluit is gekomen. Overigens gaat de Hoge Raad met haar uitspraak tevens in tegen het advies van de Advocaat Generaal ter zake.
De tekst uit het verdrag is als volgt: “Het vorenstaande (i.e. toewijzing van heffingsbevoegdheid aan Nederland) is echter uitsluitend van toepassing indien het totale brutobedrag van de inkomstenbestanddelen die op grond van het vorenstaande in de verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn (i.e. Nederland), belastbaar zouden zijn, in het kalenderjaar een bedrag van 25.000 euro te boven gaat.”
Uit deze tekst blijkt m.i. dat inkomsten die in België aan de volle pot worden belast – en waarover Nederland geen heffingsbevoegdheid heeft – niet begrepen zijn in de beoordeling van de € 25.000-grens. De Hoge Raad ziet dat echter anders. De redenen hiertoe zijn voor mij niet erg begrijpelijk nu zij een zeer extensieve lezing geeft aan een verdragsbepaling die, aangezien toewijzing van heffing aan Nederland de uitzondering is, restrictief gelezen zou moeten worden. Voorts bevat het arrest een verwijzing naar het feit dat het bedrag van € 25.000 het gemiddelde bedrag was (in 1999) voor eerste en tweede pijler voorzieningen. Dat bevestigt volgens de Hoge Raad haar interpretatie, terwijl de relevantie ervan mij ontgaat.
Relevantie
Deze uitspraak is van belang voor Belgische inwoners met Nederlandse pensioenen waarvoor bij de opbouw een fiscaal voordeel is genoten. Stel u voor dat een belastingplichtige op jaarbasis voor € 20.000 in België laag belaste lijfrentes ontvangt en voor € 30.000 in België hoog belaste Nederlandse pensioenen ontvangt.
Volgens de uitspraak van de Hoge Raad wordt Nederland heffingsbevoegd over de lijfrentes van € 20.000 en moet België dit inkomen vrijstellen. De totale pensioenen van € 50.000 overschrijden immers de grens van € 25.000. De regulier belaste pensioenen van € 30.000 blijven wel in België belast.
Het is natuurlijk maar de vraag of de Belgische fiscus het standpunt van de Hoge Raad zal volgen. Als Nederlands rechtscollege zijn haar uitspraken naar Belgisch recht op zich niet leidinggevend, maar het blijft een relevante rechtsbron. Alleszins leidt een en ander weer tot meer rechtsonzekerheid over deze materie.
Het nieuwe dubbelbelastingverdrag, dat ondertekend is maar nog niet in werking, bevat overigens geen wijzigingen aan het pensioenartikel. Hopelijk komen beide landen toch nog tot verduidelijkingen zodat belastingplichtigen beter weten waar ze fiscaal aan toe zijn.